|
Hermes
Meubelstoffeerderij
De eerste
stoffeerder van zuidelijk Flevoland.
Kennis
en kunde stoffen
Textiel
De
grondstof van ieder textielmateriaal is vezels. De collectie kent alledrie de
mogelijke varianten: stoffen uit natuurlijke vezels, zoals wol of katoen,
stoffen uit kunstmatige vezels zoals rayon of viscose of -de derde mogelijkheid
- een gronddoek waarin zowel natuurlijke als kunstmatige vezels zijn verwerkt,
zoals een viscose-katoen-menging. Een combinatie van natuurlijk met synthetisch
garen koppelt de specifieke kenmerken van beide materialen. Zo kan een stof de
mooie, matte uitstraling, de warmte en het ademende karakter van een natuurlijke
basis krijgen, gepaard aan de sterke en krimpvrije eigenschappen van
synthetische vezels.
De meest gebruikte natuurlijke basismaterialen zijn katoen, wol, mohair
(angorawol) en af en toe linnen en zijde in gemengde samenstellingen met
synthetische vezels.
In kunstmatige vezels maakt men vooral gebruik van viscose (een plantaardige
kunstmatige vezel).
Geur
leidt naar vezel
Wol,
mohair en zijde zijn alledrie dierlijke, ofwel eiwitvezels. Wanneer de
brandproef op een van deze materialen wordt gedaan, komt dan ook een geur van
schroeiend haar vrij. Andere materialen vergen meer een kennersneus om door
middel van de geur van de brandproef te kunnen vaststellen om wat voor grondstof
het gaat.
Cellulosevezels, bijvoorbeeld linnen of katoen, maar ook het kunstmatige viscose
of modal verspreiden bij verbranding een geur van verbrand papier. Het brand
snel, gloeit na en laat slechts weinig, zachte as achter. De as van
eerdergenoemde eiwitvezels is bros en verpulverbaar en het brandende materiaal
dooft uit.
Bij de synthetische of meer specifiek, de thermoplastische vezels, moet nog
scherper worden geroken: wanneer bij brandend materiaal bij een niet-roetende,
witte walm een zure lucht vrijkomt, duidt dit op (tri)acetaat, ruikt het naar
selderie dan hebben we te maken met polyamide en is een teerlucht waarneembaar
dan is polypropyleen waarschijnlijk de grondstof. Bij een roetende, zwarte walm
moet bij een zoete lucht aan polyester worden gedacht, bij koperpoets aan
chloorvezel en als de geur niet te definiëren is gaat het waarschijnlijk om
polyacryl.
De thermoplastische draad - die bij de brandproef altijd net als de andere
garens horizontaal in de vlam wordt gestoken, nooit erboven hangend - smelt al
voordat het het vuur raakt en laat een harde asbol achter.
Bevochtiging
Natuurlijk kunnen er nog meer proefjes worden gedaan als de brandproef geen
uitsluitsel geeft. Zo kan het nat maken van de draad bij cellulosevezels
uitwijzen of het om katoen of linnen gaat - de draad is nat sterker dan droog -
danwel viscose of modal die door het bevochtigen juist zwakker worden. Op
dezelfde manier wijst de proef bij thermoplastische vezels bij verzwakking op
acetaat of tri-acetaat, terwijl het een van de overige synthetische vezels moet
zijn als de draad niet merkbaar verzwakt. Bij eiwitvezels haalt de proef niets
uit, omdat die allemaal nat zwakker zijn dan droog.
Vezelonderzoek
Weet u na de brand- en vochtproef nog niet met wat voor materiaal u van doen
heeft, dan rest nog het vezelonderzoek. Bij eiwitgarens gaat het om wol als u na
het uit elkaar peuteren van een draadje een matte, gekroesde vezel overhoudt.
Bestaat de vezel uit filamenten dan gaat het om zijde-filament en wanneer het
gladde vezels zijn, is de grondstof zijde-vezel.
Heeft u een cellulose materiaal in handen, dan betekent een gladde, soepele
vezel tot vier centimeter dat het om katoen gaat. Is de vezel stugger en heeft
vertakkingen en is langer dan vier centimeter, is linnen de basis. En bij
filamenten of gladde, glanzende vezels van gelijke lengte gaat het om viscose of
modal. Bij thermoplastische materialen heeft het vezelonderzoek weinig zin,
behalve dan dat het uit kan wijzen dat het inderdaad om een synthetische vezel
gaat. Alle soorten komen namelijk in zowel vezel-als filamentvorm voor en zijn
hoofdzakelijk glad en glanzend. Is het een vezel dan is de lengte van alle
vezels gelijk.
Eigenschappen
Wanneer de indeling van het grondmateriaal in cellulose-, eiwit-en
thermoplastische vezels wordt vastgehouden, kan een aantal gemeenschappelijke
eigenschappen worden omschreven.
Cellulosevezels als linnen, katoen, viscose of modal zijn niet kreukherstellend,
nemen gemakkelijk en veel vocht op, zowel in als om de vezel en cellulosevezels
kunnen een hoge strijktemperatuur verdragen.
De kracht van eiwitvezels ligt in de hoge mate van kreukherstellendheid, hoge
vochtopname in en om de vezel en ze zijn zeer veerkrachtig. Ze kunnen echter
minder goed tegen hitte en moeten daarom voorzichtiger worden gestreken.
Belangrijk voordeel van eiwitvezels is ook dat ze brandvertragend werken. Zo kan
een goede wollen stof een betere brandvertragende werking hebben dan een hoge
kwaliteit trevira CS. De wollen of zijden stoffen branden moeilijk en langzaam
en als de vlam verdwijnt, dooft de stof in de regel vanzelf.
Bij thermoplastische (door warmte vervormbare) vezels geldt als belangrijk
nadeel dat ze slechts weinig warmte kunnen verdragen. Hoewel; de brandbaarheid
van synthetische vezels loopt uiteen van zeer hoog tot onbrandbaar. Maar het is
tegelijk deze eigenschap van vervormbaarheid die ook de voordelen biedt van
synthetische vezels: ze krimpen niet en ze zijn kreukherstellend in het gebruik.
Bijna alle synthetische vezels kunnen door stabiliseren vormvast worden gemaakt
(kreukherstellend, krimpvrij en no-iron). Ze nemen geen of weinig vocht op in de
vezel, allen om en langs de vezel en voelen daardoor snel klam of vochtig aan.
|